Logopedie

  • Duimen
  • Open mond
  • Praten
  • Stem en stemklachten
  • Haperen/hakkelen
     


    Duimen
    Veel kinderen, die voor onderzoek en controle komen, zuigen op hun duim of op een speen. Als uw kind duimt, heeft dat bijna altijd gevolgen. Deze gevolgen kunnen zijn:

    • De tong ligt op de mondbodem i.p.v. aangezogen tegen het gehemelte. De tong wordt slap. Dit kan tot gevolg hebben dat klanken onduidelijk worden uitgesproken.

    • De mond blijft gemakkelijk open staan na het duimen. Het kind kan gaan mondademen. De kans op verkoudheid, infectie e.d. is dan groot.


    • De bovensnijtanden worden naar voren en/of omhoog geduwd. Het kind kan dan een beugel nodig hebben om de tanden weer recht te krijgen.

    • De tong ligt lager dan normaal en duwt bij het uitspreken van de /t/, /d/, /n/, /l/, /s/ en /z/ tegen de boventanden. Het kind spreekt de genoemde letters slissend uit. Het slissen kan met logopedielessen én oefenen thuis afgeleerd worden.

    • Ook als het kind slikt, duwt de tong tegen de tanden. De tanden moeten dan misschien met beugel weer rechtgezet worden.

    Wat kunt u zelf doen?

    Voor het vijfde jaar kunt u spelenderwijs, zo nu en dan, de aandacht van het kind ergens anders op richten. Een voorbeeld: U ziet dat het kind duimt en u stelt voor samen een spelletje te doen. Hierdoor wordt het kind afgeleid en zal op dat moment niet duimen.  

    U kunt ook met uw kind iets gaan afspreken. Het is het gemakkelijkst als u overdag begint; het kind is dan fit en er met de aandacht bij. U spreekt bijvoorbeeld af dat het kind 5 of 10 minuten de duim uit de mond laat. Beloon het kind daarna met extra aandacht. Sommige ouders (en kinderen!) vinden het leuk om een klein cadeautje af te spreken. Als het kind het duimen een week lang gedurende 10 minuten kan laten, kunt u een kwartier afspreken. Zo kunt u telkens de tijd van het niet duimen langer maken. Pas als uw kind overdag helemaal niet meer duimt, kunt u het duimen ’s avonds en ’s nachts gaan verminderen.

    Open mond
    Veel kinderen zitten te vaak met open mond en komen naar de logopedist om hier vanaf te worden geholpen. De openstaande mond kan samen met duimen voorkomen (zie vorige schoolkrant), maar dat hoeft niet. Als het kind uit gewoonte de mond open laat staan, ademt het vaak vanzelf door de mond. Normaal gaat de adem door de neus. De neus is hier speciaal voor gemaakt; met een “binnenbekleding” van haartjes en een speciale huid. Zo wordt de lucht schoongemaakt, verwarmd en bevochtigd.

    Als uw kind vaak met de mond open zit, kan dat problemen tot gevolg hebben. Deze gevolgen kunnen zijn:

    Chronische verkoudheid
    Vaak na een verkoudheid blijft het kind door de mond ademen. Hierdoor kunnen de slijmvliezen in de neus niet slinken en blijf je een verstopte neus houden. Je blijft dan door de  mond ademen. Door het mondademen komt koude, vuile en droge lucht naar binnen. Dit kan in de mond, de neus en in de keel irritatie of een infectie veroorzaken.


    Oorproblemen, gehoorverlies
    Door het mondademen droogt het slijmvlies van de mond en keel uit. Hierdoor ga je minder slikken waardoor de oren minder goed werken. Hierdoor trekt het trommelvlies naar binnen en kan je minder goed horen.  U kent vast wel het gevoel dat je oren “open” gaan  als je slikt. Zo kunnen problemen met het horen ontstaan. Een kind dat minder hoort, kan de spraak en taal van anderen en van zichzelf niet zo goed volgen. Dat kan problemen met de eigen taal en spraak geven.


    Veel hoesten of kuchen
    De droge lucht komt via de mond in de keel terecht. Deze droge lucht maakt de keel heel droog. Door de kriebel moet het kind vaak hoesten. Teveel hoesten is slecht voor de stem. Het kind kan een hese of schorre stem krijgen.


    Verkeerd spreken

    De spieren in wangen, lippen en tong worden slapper door het open hangen van de mond. Deze spieren zijn nodig voor het praten. De bewegingen van de spieren worden minder snel en minder precies. Het kind kan dan bijvoorbeeld gaan slissen omdat de tong halverwege de mond blijft hangen.
     

    Scheve tanden
    De tanden gaan scheef groeien. Hoe kan dit? De tong duwt van de ene kant, dus vanuit de mondholte, tegen de kaak en de tanden. De lippen duwen aan de andere kant, dus van buitenaf, tegen de tanden en de kaak. Het gebit krijgt hierdoor de regelmatige ronde vorm. Als de tong of de lippen niet meer ‘drukken’ tegen de tanden, groeien de tanden verkeerd. De tanden gaan dan scheef staan. Een beugel kan dan nodig zijn.


    Wat kunt u zelf doen?
    Ga eerst na of het kind lucht door de neus kán laten stromen, bijvoorbeeld door middel van snuiven. Raadpleeg bij twijfel de logopedist of de huisarts.

    Een kind van ongeveer 5 jaar, kan uw uitleg begrijpen. U kunt uw kind bijvoorbeeld uitleggen dat u graag wilt dat het leert door de neus te ademen. U kunt met een oefenschema gaan werken. In overleg met het kind wordt bekeken wanneer het best geoefend kan worden. Alleen op die afgesproken tijd oefent het kind. Het opschrijven van de oefentijd in een schema kan een goed hulpmiddel zijn. Begin met 10 minuten of nog minder en bouw dan rustig op.

    Als het kind zijn oefening gedaan heeft, kruis dit dan aan en laat direct merken dat u het fijn vindt. Sommige ouders en kinderen spreken af dat bij een x-aantal kruisjes een sticker of een extraatje wordt verkregen.

    Bewaar het aanleren van het neusademen gedurende de nacht voor het laatst. Dit moment wordt makkelijker als het kind het neusademen overdag goed vol kan houden.

     

    Praten
    Een grote groep kinderen komt bij mij voor onderzoek of controle vanwege het praten. Het kind kan moeite hebben met het begrijpen en gebruiken van woorden, zinnen en / of het maken van de spraakklanken.

    Als ouder weet u dat uw kind vanaf de geboorte dingen leert door deze na te doen. Denk maar aan de eerste lach. Het praten luistert het bij u af. U zegt “dag”, het kind zegt “da”. Ieder kind doet dat in zijn eigen tempo. Voor sommige kinderen blijkt het echt moeilijker te zijn de taal / klanken uit de omgeving over te nemen en zo zelf iets te kunnen melden.

    Wat mag u nu van uw kind op een bepaalde leeftijd verwachten? Hier zijn richtlijnen voor opgesteld:

    • 0-1 jaar: Het kind moet geluiden kunnen maken, die steeds meer op woorden gaan lijken, wanneer u terug praat.

    • Rond de eerste verjaardag kan het met één woord en later met minimaal twee of drie woorden duidelijk kunnen maken wat het wil. Bijvoorbeeld “Mammie zitten”.

    • Een kind moet rond zijn derde verjaardag minimaal zinnetjes van drie tot vijf woorden kunnen uiten. In de uitspraak mogen nog fouten zitten. B.v:  “Ik op toel zitten”.

    • Rond de vierde verjaardag kan het kind praten in goede, korte zinnen. Een aantal taalregels kent het kind nog niet. Een voorbeeld van het gebruik van een taalregel: ‘Kijk’ wordt in de verleden tijd ‘keek’. Sommige letters als de /r/ of bepaalde letters achter elkaar, kunnen nog moeilijk zijn. Bijvoorbeeld ‘lood’ i.p.v. ‘rood’

    • Een kind van vijf jaar maakt goed gevormde en lange zinnen. Vrijwel alles is verstaanbaar.

    Wat kunt u alvast zelf doen, wanneer u denkt, dat uw kind nog niet zover is?

    • 0-1 jaar: Als u toch al bezig bent met uw kind of wanneer u zelf bezig bent met iets, praat erover. Doe dat in korte zinnen. Bijvoorbeeld tijdens boodschappen doen of het aan-, en uitkleden: “Nog een sok”, “Koekjes pakken”.

    • Net zoals muziek u iets kan doen, vindt uw kind het prettig samen met u versjes en liedjes te doen. Bijbehorende bewegingen maken dat uw kleintje woordjes beter onthoudt. Hieronder volgt een voorbeeld van een bekend liedje. Dit gaat als volgt:

    • Dit zijn mijn wangen, dit is mijn kin, Dit is mijn mondje met tandjes erin. Dit zijn mijn oren, mijn ogen, mijn haar. Nu nog een neusje en dan ben ik klaar.
      Bijbehorende bewegingen kunnen zijn: Pak het handje en laat het bij u en / of bij zichzelf de bijpassende delen van het gezicht aanwijzen.

    • 1-3 jaar: Zie ook 0-1 jaar. 
      Natuurlijk komt het voor dat u wat uw kind zegt verbeterd. Doe dat dan door het woordje/zinnetje in de juiste vorm te herhalen, terwijl u het gesprekje door laat lopen. Zo blijft het praten leuk. Bijvoorbeeld: Kind: “Ikke boemetjes geruikt”. U: “Oh, ja heb je aan de bloemetjes geroken?”.

    • 3-4 jaar: Zie ook 0-3 jaar.
      Als u merkt, dat uw kind de draad van het verhaal kwijt raakt, omdat het zoveel aan u wil vertellen, vat dan af en toe het verhaal samen, dan helpt u uw kind weer op weg. Een voorbeeld: Kind: “Toen ging ik naar binnen enne daarna jas ophangen …en toen en toen…ja en toen…”, U: “Je had je jasje op de gang gehangen, je ging naar de juf…”.Kind :”Oh ja, toen mochten we van de juf etc”.  
      Kijk samen naar televisieprogramma’s als ‘Sesamstraat’, ‘Tiktak’ of  ‘Teletubbies’ en praat hier samen over.
      Lees regelmatig boekjes met veel plaatjes, samen met uw kind. Wanneer u wilt weten welke boeken geschikt zijn voor welke leeftijd, dan kunt u terecht bij de bibliotheek, of op school bij de leerkracht of logopedist.

    • 4-5 jaar: Taalspelletjes zijn leuk en leerzaam. Bijvoorbeeld: ‘Ik zie ik zie wat jij niet ziet’, raadsels, lotto- en memoryspellen. Ook in het kleuterblad ‘Bobo’, ‘Sesamstraat’ en ‘Do Re Mi’ staan vaak leuke taalspelletjes.

    • 5-6 jaar: Zie ook 3-5 jaar.
      Het kind gaat leren lezen. Er gaat een nieuwe wereld voor het kind open. U kunt met uw kind gesprekjes voeren over boekjes.
      Bij de bibliotheek, leerkracht of schoollogopedist kunt u terecht voor titels van prentenboeken en (voor)leesboeken.
       

    Stem en stemklachten

    Veel kinderen, die ik voor onderzoek en controle zie, komen omdat de stem niet helder is. Het kan zijn dat:

    • het kind minder goed verstaanbaar is, omdat het stemgeluid soms wegvalt.

    • lang praten het kind moeite kost. Het kind houdt liever zijn mond.

    • het kind keelpijn heeft doordat de huid in de keel geïrriteerd is door roepen, schreeuwen met teveel kracht.

    • het kind bijvoorbeeld eeltknobbeltjes krijgt op de stembanden.

    Wat kunt u zelf doen?

    • Leer uw kind door de neus te ademen, want dan droogt de keel niet uit.

    • Het is goed mogelijk dat uw kind zichzelf overschreeuwt, d.w.z. een stem gebruikt die meer aan kracht kost dan goed voor hem is. Dingen als veel schreeuwen, te hoog praten, te hard praten e.d. Probeer uit te zoeken wanneer het kind dit doet. Heeft het te maken met de situatie? Bijvoorbeeld: Het kind kan niet op tegen een ouder broertje en probeert met schreeuwen zijn zin te krijgen.

    • Het kan nodig zijn het kind bewust te maken van bijvoorbeeld het vele schreeuwen. De logopedist kan u helpen.

      Bij de logopedist kunt u materiaal inzien over hoe de stem werkt en wat er misgaat als de stem niet goed werkt.


    Haperen of hakkelen

    Deze keer is het onderwerp: Haperen of hakkelen. Hakkelen kan ontstaan als het kind begint met praten of wanneer het kind al wat ouder is.

    Veel kinderen haperen een tijdje. Dat hoort bij het leren praten. Het kind tussen de twee en vijf jaar beleeft zo veel en wil dat allemaal tegelijk vertellen, maar het weet nog niet alle woorden. Door het haperen wint een kind tijd om na te denken en de juiste woorden te vinden B.v: “En wat ik, wat ik …. en wat ik in de dierentuin heb gezien….”.

    Als u denkt dat het haperen bij uw kind te lang aanhoudt en u maakt zich ongerust, overleg dan met uw huisarts of met de schoollogopedist.

    • Als uw kind hapert of stottert kunt u uw kind helpen.

    • Als het kind niet zoveel wil zeggen, stel dan zo min mogelijk vragen. Het kind zou kunnen voelen dat u iets van hem/haar verwacht, waardoor het zich gedwongen voelt iets te zeggen.

    • Verbeter het kind niet teveel.

    • Luister naar wát het kind zegt en niet naar hoe het kind het zegt.

    • Help het kind zijn / haar verhaal aan de gang te houden, als het kind even de draad kwijt is. Het kind wil misschien alles in één keer aan u vertellen. Luister met aandacht en als u even geen tijd heeft, zeg dit dan en neem op een ander moment het verhaal nog eens door, als het kind dat wil.

    • U kunt kijken wanneer het kind wel / niet stottert of veel / weinig stottert. Bijvoorbeeld: Telkens als uw kind moe is, worden de stottertjes meer etc. De logopedist kan u hierbij helpen.

    Materiaal om u bij te staan:

    Stottert mijn kind?
    Kleine gezondheidsbibliotheek nr. 5.
    Amersfoort, uitgeverij Acco

     

      Naar boven